Geschiedenis

De geboorte van ESF

Na WOII lag Europa in puin. Herstel was enkel mogelijk met behulp van het Amerikaanse Marshallplan. Dat voorzag financiële steun voor Europa zodat economie, onderwijs en infrastructuur opnieuw konden worden opgebouwd.  Maar de uitgebreide staal- en steenkoolindustrie moest worden ingekrompen. Uit vrees voor de werkloosheid riepen 6 Europese landen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in het leven. De EGKS zorgde voor de omscholing en relocatie van de arbeiders en was zo de voorloper van het Europees Sociaal Fonds van vandaag.

Jaren 50 en 60

In 1957 vloeide het EGKS voort in de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Ook het fonds ontwikkelde zich verder en het ‘Europees Sociaal Fonds’ was geboren. Het voornaamste doel was ook toen al de werkgelegenheid stimuleren en de mobiliteit verhogen. Werkloosheid was nochtans in de jaren 60 eerder onbekend. De economie bloeide op en de werkgelegenheidscijfers waren torenhoog.

De grote uitzondering hierop was Italië, dat bijna twee derden van de werklozen van de EEG telde. In iets minder dan 20 jaar trokken maar liefst 9 miljoen arbeiders weg uit het zuiden. België ving een groot deel van de Italianen op en liet hen werken in de Waalse mijnen. De arbeiders uit het zuiden vormden toen de voornaamste doelgroep van het Europees Sociaal Fonds.

Jaren 70

De eerste grote hervorming van het Europees Sociaal Fonds vond plaats in 1971. De steun richtte zich meer naar specifieke groepen en het budget van het fonds vergrootte aanzienlijk. Het Europees Sociaal fonds beperkte zich niet meer enkel tot de staal- en steenkoolindustrie. Arbeiders uit de landbouw en de textielsector konden nu ook beroep doen op het fonds.

Europa werd voor het eerst geconfronteerd met de praktische moeilijkheden waarmee de (Italiaanse) migranten na hun verhuis te kampen hadden. Het fonds voorzag daarom voorbereidende studies en innovatieve pilootprogramma’s om de overgang te vergemakkelijken.

Een nieuw fenomeen in de jaren 70 was de jeugdwerkloosheid. Die verdubbelde in maar liefst vier jaar tijd. Meer dan twee miljoen jongeren onder de 25 jaar zaten zonder werk. Velen onder hen hadden geen diploma of een diploma dat niet beantwoordde aan de noden van de arbeidsmarkt. De prioriteit van het ESF verschoof dus van de migranten naar de werkloze jongeren.

Jaren 80

De jaren 80 luidden het informaticatijdperk in. Traditionele industrieën raakten in verval en nieuwe technologieën ontstonden. Het ESF werd in het begin van het decennium gebruikt om te investeren in opleidingen om deze nieuwe technieken machtig te worden.

De Europese Gemeenschap breidde ondertussen sterk uit. Maar nieuwe lidstaten zoals Griekenland, Portugal en Spanje focusten nog steeds op de –weinig winstgevende- landbouwsector. Er ontstond een kloof tussen arm en rijk. Het ESF zette zich in om de armere regio’s te stimuleren en hun werkgelegenheid op peil te brengen.

Ondanks de vele inspanningen blijft de jeugdwerkloosheid aan het begin van de jaren 80 nog altijd een nijpend probleem. Met de start van het informaticatijdperk is er een grote nood aan hooggeschoolde werkkrachten. Het ESF trekt deze taak naar zich toe en richt zich op jongeren zonder - of ongeschikt diploma en langdurig werklozen.

Jaren 90 en verder

Het beleid van het ESF evolueert van het nationale niveau naar het Europese. Europa zet in samenspraak met de verschillende EU-lidstaten richtlijnen uit, waarbinnen de afzonderlijke landen prioriteiten kunnen leggen naargelang de eigen noden.